  Het Stille Pand (2006-2021)
Frits Schetsken Antwerpen Conscienceroute
ETAPPE 1: DE HAND t/m SINT-NICOLAASPLAATS
We vertrekken bij het beeld ‘De Hand’ op de Meir. Een hand is het kenmerk van Antwerpen, omdat volgens de legende de reus Druwoen Antigoon tol eist van op de Schelde passerende schippers en bij wanbetaling hen een hand afhakt. De Romeinse honderdman Silvius Brabo is een voorstander van open grenzen, verslaat de reus en werpt diens afgehakte hand in het water, waardoor de Schelde een visrijke stroom wordt. Dit monument uit 1993 is daarom gekozen, al is het niet oorspronkelijk gemaakt voor Antwerpen, maar eigenlijk een onderdeel van het monument 'L'Écoute' van Henri de Miller, dat in Parijs naast de Saint- Eustachekerk ligt in de wijk Les Halles. Daar rust de hand naast een reusachtig kaal hoofd. Voor een groepsfoto is deze plek een topper geworden. Vanaf ‘De Hand’ zijn er twee mogelijkheden: 1. Ga in de richting van het KBC-torengebouw verder op de Meir en je slaat het eerste smalle straatje rechts in, waar je op het gebouw helemaal achteraan ‘ANNO 1872’ ziet staan. Dit is de Handelsbeurs en daar ga je binnen als die toegankelijk is (doorgaans op zaterdag, zondag en maandag). Als dat niet lukt, is de ROUTEVARIANT NR. 2 het alternatief. 2. Ga de tegenover liggende richting in op de Meir en sla de eerste straat links in, de Gramayestraat, die je verder volgt. Routevariant 1: De Twaalfmaandenstraat heet zo omdat er vroeger aan de rechterzijde twaalf huizen stonden met de namen ‘Januari’ tot en met ‘December’. Hoewel de gevel van de Handelsbeurs aan het eind van dit doodlopende straatje het jaartal 1872 draagt, was hier al veel langer een handelsbeurs. Ga de Handelsbeurs binnen. Je staat binnen op het Beursplein, een oppervlakte van 40 bij 51 meter met rondom dubbele gaanderijen. Die zijn 19de-eeuws, maar gekopieerd van de voorganger van dit gebouw uit 1533.. Architect Jos Schadde heeft hier tussen 1868 en 1872 met behoud van de 16de-eeuwse vorm een nieuw gebouw neergezet in een flamboyant neogotisch kleedje. De metalen dakconstructie die het vroeger open beursplein overkapt, heeft Schadde toegevoegd en was in de 19de eeuw hoogst modern. Jos zelf is evenmin vergeten, je ziet in een erker links in het midden aan een van de balustrades zijn buste in hoogreliëf voor een gotisch venster. Beeldhouwer Aphonse Van Beurden bezorgde hem in 1896 dit huldeblijk. Sommige middeleeuwse bouwmeesters lieten zich zo afbeelden, de neogotiek volgde hen na tot in de details. Waar nu evenementen, vergaderingen en feesten kunnen plaatsvinden op het beursplein en in diverse zalen op de gaanderijen, was het eertijds een drukte van internationale kooplui die hier wisselbrieven verhandelden en vreemde valuta. Later kwamen daar aandelen bij van de allereerste ‘compagnieën’ die met schepen goederen uit Afrika en het Verre Oosten haalden. Daaruit vloeide de effectenhandel zoals we die vandaag kennen voort, die hier tot 1997 heeft plaatsgevonden om dan naar Brussel te verhuizen. Wil je meer weten over de geschiedenis van dit beursgebouw en de handel daarin, klik dan hier op het woord HANDELSBEURS. Verlaat de Handelsbeurs door de uitgang aan de overzijde, waardoor je in de Borzestraat belandt. AANSLUITING BIJ ROUTEVARIANT NR. 1 Routevariant 2: De Gramayestraat is in 1565 aangelegd door een deel van de woning van burgemeester Antoon van Stralen, schoonbroer van Geerart Gramaye, die zelf grond- en geldspeculant is, dus dat past wel nabij de Handelsbeurs. De Antwerpenaren spraken altijd al over Meystrate, de Meistraat. Geerart leeft tijdens de regering van de Spaanse koning Filips II, die geld bij hem leent. Hij bekleedt rond halfweg de 16de eeuw hoge functies, is algemeen ontvanger van belastingen op de uitvoer in de Spaanse Nederlanden. Maar het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog met de opstand van de Noordelijke Nederlanden, brengt hem in de problemen. Plots krijgt hij met twee kampen te maken, voor wie moet hij kiezen als de kansen telkens wisselen? Uiteindelijk raakt hij financieel aan de grond en sterft arm als job. Al snel zie je links voor je een grote muurschildering. MURAL SONG FOR MY FATHER Gramayestraat. Miles MacGregor – artiestennaam El Mac – uit Los Angeles maakt deze schildering in 2018 in het kader van Baroque Murals, een project rond de Antwerpse barokperiode. Hij bouwt zijn portretten op uit dikke spuitbuslijnen, die rasters vormen waardoor volume en diepte worden opgeroepen, een wisselwerking tussen licht en donker, waardoor ze aan etsen doen denken. Hier vertrekt El Mac vanuit een 17de-eeuws schilderij van de Vlaamse schilderes Michaelina Wautier, die recent herontdekt is als een van de eerste vrouwen die professioneel schilderden. Haar schilderij met Sint-Jozef, zowel patroonheilige van België als van de arbeidersbeweging, maar ook van migranten, doet onze kunstenaar aan zijn eigen vader denken. Hij maakte al heel wat vrouwenportretten, maar dit is zijn eerste werk waar vaders centraal staan, met name zijn eigen vader. Hij herinnert zich die als een intelligente, liefhebbende en hardwerkend man, een ideale vader. De titel van het werk is Song for My Father, een lied van Horace Silver uit 1965 dat tot de favorieten van zijn vader behoorde. Aan het eind van de straat naar links, de Korte Klarenstraat in. Helemaal aan het eind van dit straatje zie je een ingang van de Handelsbeurs met zijn typisch neogotische toegangen. Handelaars konden het beursgebouw van vier zijden binnen komen. De straatnaam heeft niets met drank te maken, maar gaat terug op Isabella van Portugal, echtgenote van hertog Filips de Goede, die in 1456 bescherming verleent aan de franciscaner zusters om hier een klooster te stichten. Dat wordt gefinancierd door drie steenrijke Antwerpse juffrouwen, die meteen zelf ook intreden. De zusters nemen de strenge orderegel aan van Clara di Offreduccio uit het Italiaanse Assisi, waardoor ze geen bezit mogen hebben buiten het klooster. Ze mogen hun klooster niet verlaten, dat is dus een soort slotklooster, en ze leven van aalmoezen en handenarbeid. Vandaag zijn er geen clarissen meer in Antwerpen, maar nog wel negen kloosters elders in Vlaanderen. Er ontstaat een scheiding tussen arme klaren en rijke klaren wanneer die laatste in 1263 ingaan op een verzoek van paus Urbanus IV om wat soepeler hun regel te hanteren. Zij worden dan urbanisten of rijke klaren genoemd omdat ze mogen leven van bezittingen buiten het klooster. Zusters die trouw blijven aan het armoedeprincipe heten voortaan arme klaren. Mensen brengen hen eieren, omdat zij dan zouden bidden voor mooi weer, bijvoorbeeld voor een trouwfeest. Sla rechts de Pruynenstraat in. Een straatje met aan de rechterkant nog oude huizen op nrs.17 en 19 uit de 16de eeuw. Natuurlijk zijn die intussen wel wat verbouwd. In nr.17 zit nog de oorspronkelijke deur, in nr.19 op de verdiepingen de originele ramen. Beide topgevels waren ooit gelijk, de rechtse is gewijzigd in een trapgevel, de linker heeft zijn voluten – die krullen – behouden. De straat is weer naar een grondspeculant genoemd. Christoffel Pruynen was stadstresorier – hij hield de stadskas bij. Christoffel vlucht in 1570 met nalaten van een enorme schuldenberg. Het stadsbestuur looft 1000 gulden uit als aanhoudingspremie, maar heeft die nooit kunnen uitbetalen. Toch krijgt hij alsnog zijn straatnaam, want deze straat is rond 1546 op zijn kosten aangelegd. En hij heeft een heel aantal van de oude woningen zoals je ze op nrs.17 en 19 ziet laten bouwen. Aan het eind van de straat linksaf. Ga aan de rechterkant wandelen, dan zie je het huis aan de linkerkant beter. DE GROOTEN ROBIJN Lange Nieuwstraat 22-26. Je ziet hier gevels die vanaf de Pruynenstraat doorlopen tot aan de volgende hoek. Maar het gaat om het iets bruinere middelste gedeelte, met links en rechts vanaf het balkon telkens drie ramen. Op dat balkon staan als wapendragers een Wildeman en een Wildevrouw, die ook sinds de 15de eeuw in het stadswapen van Antwerpen voorkomen en verwijzen naar de oorspronkelijke bewoners van België. Hier hebben ze hun knotsen verloren. Of weggelegd als teken van beschaving? Alles wat links en rechts van dit oude huis staat, is pas in de 19de eeuw gebouwd en gekopieerd van het 18de- eeuwse origineel. Deze patriciërswoning is tussen 1746 en 1750 gebouwd door Jan Pieter van Baurscheit de Jonge, een specialist in stadspaleizen voor rijke burgers. Hier gaat het om Jean Antoine du Bois de Vroylande uit een familie waarvan we nog enkele pareltjes in de nabijheid hebben. Ze komen uit Kortijk, de du Bois’ en behoren tot de kapitaalkrachtigste inwoners van Antwerpen. Jean Antoine erft De Groote Robijn in 1745van zijn vader en laat het volledig verbouwen, of liever herbouwen. Dat voorvoegsel ‘her’ past bij hem, want ofschoon hij al in 1743 getrouwd is, doet hij dat nog eens over in 1755 met Dymphne Françoise Adrienne Della Faille de Nevele, ook geen doordeweekse naam. Dat hertrouwen levert het nieuwe gezin wel zeven kinderen op, geboren tussen 1756 en 1767. In een 16de-eeuwse voorloper van dit huis hield Maria van de Werve, ook een dame van stand, hof in een salon vol levensgrote portretten van haar minnaars. Zij stond bekend als een ware schoonheid en is aanleiding voor een vete tussen twee Antwerpse Italianen, waarbij Jeronimo Deoodati vermoord wordt door Simon Turchi op een gruwelijke wijze. Deodati wordt uitgenodigd om bij Turchi te komen eten, maar wordt op een speciale stoel vastgeklemd, waarna zijn gastheer hem met een dolk foltert en ombrengt en het lichaam in zijn kelder begraaft. Maar de moord wordt ontdekt en Simon Turchi wordt in zijn eigen folterstoel op de brandstapel gezet. Het relaas wordt te boek gesteld door Hendrik Conscience, die je straks nog zal ontmoeten. Vanaf 1829 komt hier de Banque d’Anvers zetelen, nog een van de voorlopers van BNP Paribas Fortis. Zij laten de Antwerpse architect Jos Hertogs het oorspronkelijke huis uitbreiden met daarvan gekopieerde nieuwere delen. In 1900 komt er het rechterdeel bij met het tweede balkon, met daarop allegorische figuren – personen die deugden of begrippen uitbeelden - van Handel en Nijverheid, gebeeldhouwd door Alfons Strymans, die in één moeite door ook de oude beelden op het andere balkon restaureert in 1901. Het linker gedeelte met op de hoek van de Pruynenstraat de hoge rontonde met trappen naar boven en naar de kluizenzaal eronder dateert uit 1913 en is weer van Jos Hertogs. Het gaat goed met de bank, dus wordt zelfs dit gebouw te klein en wordt tussen beide wereldoorlogen verhuisd naar een nieuw hoofdkantoor op de Meir. De oude bankgebouwen komen in handen van de Stad Antwerpen, die er na de Tweede Wereldoorlog de Burgerlijke Stand en de dienst Bevolking in onderbrengt, waardoor heel wat Antwerpen hier al eens hebben staan aanschuiven aan de loketten. Na heel wat gepalaver en wijziging van plannen komt er nu een vijfsterren hotel, het Autograph by Marriott Hotel, aansluitend bij de nieuwe functie van de Handelsbeurs. Nu even linksaf de Borzestraat in en even tot het eind deze doodlopende straat inlopen. BEURSINGANG Borzestraat. Aan deze beursingang zie je het Antwerpse Wapenschild zoals dat er uitzag rond 1531, tijdens de bouw van de eerste handelsbeurs op deze plaats. Je ziet bovenaan de dubbele arend van de Habsburgse dynastie, die uit Oostenrijk kwamen, waar nog steeds zo’n dubbele arend in het landswapen te zien is. Middenin staat een dame met in de ene hand een tandwiel en in de andere een moker, blijkbaar eentje die van aanpakken weet en het bedrijfsleven creëert welvaart als je het haar vraagt. Rechts van deze gotische gevel uit 1872 zie je nog een oudere toren, het enige dat resteert van de uitgebrande ‘nieuwe’ beurs uit 1533, nog gebouwd door Domien de Waghemakere. Vanuit de Borzestraat slaan we linksaf, de Lange Nieuwstraat in, waarbij je het rechter voetpad gaat volgen. Aan de overzijde zie je dan links de gevel van de Schippersbeurs bij restaurant ‘fiera’. SCHIPPERSBEURS Lange Nieuwstraat 14. Hierachter lag aanvankelijk de Fondsenbeurs als onderdeel van de Handelsbeurs. Maar deze smalle hoge gevel uit 1894 laat zich anders lezen, als Schippersbeurs. Helemaal bovenaan staat dat schip, hier in 17de-eeuwse versie, met veel lager een Wildeman met knots, links van hem een anker verweven met de staf van de Griekse handelsgod Hermes - of Mercurius voor de latinisten onder u – en rechts een hoorn des overvloeds, welvaart voor alleman (m/v/x)! In een schippersbeurs komen binnenschippers en bevrachters samen om over scheepslading te onderhandelen. Op een krijtbord staat het soort vracht aangeduid, met omvang en bestemming. Schippers die geïnteresseerd zijn roepen een nummer dat ze bij binnenkomst hebben gekregen en het laagste nummer krijgt de vracht, volgens het principe ‘wie eerst komt, eerst maalt’. Er is geen opbod van vrachtprijzen, die liggen vast. De nummers geven iedereen een kans op vracht, wat vooral interessant is als er weinig te vervoeren valt. Wie er meer over wil weten, klikt hier even op SCHIPPERSBEURS. Sinds het jaar 2000 gebeurt het in België niet langer op deze wijze, nu gaan schippers zelf met smartphone en internet op zoek naar vracht. En hier huist nu restaurant ‘fiera’, dat ook vanuit de Handelsbeurs bereikbaar is. Voor deze gevel heeft stedelijk hoofdingenieur Gustave Royers inspiratie gehaald uit de erker van Het Steen, dat gebouw met torens en kantelen aan de Schelde. Het bouwen zelf gebeurde door aannemer Victor Merckx-Verellen, die in dat jaar ook bezig was geweest met een wijk Oud-Antwerpen voor de Antwerpse Wereldtentoonstelling en daarvan enkele gebouwen zou meenemen naar een gehucht langs de Schelde waar hij geboren was. Ze staan er nog altijd. Wandel verder tot je aan een poortdoorgang komt. Ga erdoor zodat je op de Sint-Nicolaasplaats uitkomt, een plein met een kapel en huizen errond en in het midden een pompzuil met een beeld van iemand die alleman kent: Sint-Nicolaas. SINT-NICOLAASPLAATS Je verwacht het misschien niet, maar rond dit pleintje is heel wat Antwerpse geschiedenis geschreven. Ga er gerust even voor zitten – wellicht staat hier ergens een stoel of een bank. Het begint met de falcontinnen, een kloosterorde van vrijgezelle jongedames en weduwen, gesticht rond 1350 op uitnodiging van Falcon de Lampagne, directeur van de hertogelijke munt. Aanvankelijk huizen ze op het Falconbroek, zijn domein nabij het huidige Falconplein, iets meer richting oude haven. Wanneer hun weldoener echter al vier jaar later overlijdt, blijkt hij een schuldenberg na te laten en moeten de kloosterlingen verhuizen. Zij vinden hier nieuw onderdak in huizen van Willem Draeck, telg uit een welstellende familie, die later een Antwerpse burgemeester zal voortbrengen. De falconzusters richten hier een gasthuis op, waar ze zieken verzorgen. Het maakt ze geliefd en wanneer iemand hen een grote erfenis nalaat kopen ze hun oude gebouwen terug. De zusters zetten in 1420 hun missie buiten het stadsgewoel voort, maar zijn nog wel in 1419 begonnen aan de herbouw van de kapel. Hun gebouwen worden gekocht door het Hoofdambacht van de Meerseniers. Zij maken van dat gasthuis een godshuis, klein verschil in letters, toch heel wat anders. Maar eerst: wat zijn meerseniers? Aanvankelijk een vereniging van kleinhandelaars in gebruiksvoorwerpen: messenmakers, lood- en tinnegieters, verkopers van waskaarsen en stallichten, kruideniers – wat je vandaag middenstanders zou noemen. Ze staan met hun artikelen op de markt. Maar wanneer de Antwerpse economie in de 16de eeuw een enorme bloei kent, worden ook groothandelaars lid van dit ambacht en spreken we over voor die tijd luxeproducten als suiker, rijst, specerijen en zijde. Die snelle opgang maakt hun groep tot het machtigste ambacht van Antwerpen. De meerseniers richten hier twintig kleine huisjes in voor hun oudere leden, te behoeftig of te ziek om zonder steun te overleven. Dat heet in Vlaanderen een godshuis, in Nederland spreken ze over hofjes. Daarnaast verhuren de meerseniers hier nog dertien huisjes met opslagruimte aan kleine handelaars. Bovendien laten ze de kapel verder afbouwen, waarna daar een altaar in wordt geplaatst, gewijd aan Nicolaas van Myra, onze Sinterklaas en hun patroonheilige. Nee, speelgoed voor de kinderen op 6 december is er dan nog niet bij. Maar Nicolaas heeft volgens de legende drie schepen met graan een behouden vaart gegeven en daarmee hongersnood voorkomen. Wie koopwaar beschermt, is dé man voor handelaars. Op 2 augustus 1423 wordt de nieuwe kapel ingewijd en vanaf 1443 draagt een eigen kapelaan er dagelijks tussen 8 en 9 uur een mis op. De bewoners van het godshuis, alleenstaanden of gezinnen met kinderen, worden proveniers genoemd. Mensen die een preuve ontvangen: gratis voedsel, kleding, brandstof en verzorging en hun begrafenis wordt geregeld door het Meerseniersambacht. Maar daar staat iets tegenover: ze moeten hun juwelen afstaan bij binnenkomst in het godshuis en na hun overlijden ook al hun andere bezittingen, die dan gebruikt worden ten bate van andere behoeftige bewoners. Verder zijn ze verplicht op zondag de mis in de kapel bij te wonen en bij begrafenissen van meerseniers mee te lopen in de lijkstoet. Op dat alles is er controle. Het pleintje is afgesloten met een poort, die tussen half september en half maart om 8 uur ’s avonds sluit en in de lente- en zomermaanden om 10 uur. Dat godshuis bevond zich helemaal achteraan, waar nu in recentere huizen dienstencentrum De Meersenier senioren de mogelijkheid biedt om ’s middags goedkoop te eten, samen te zitten, deelt te nemen aan activiteiten en cursussen en voordelig naar de kapper te gaan. Dus de doelgroep is enigszins gebleven, al wonen ze nu niet meer hier. Als de Fransen eind 18de eeuw hier komen, wordt in 1797 het godshuis eerst gesloten, later overgedragen aan het Bestuur der burgerlijke godshuizen, wat uiteindelijk het huidige Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) is geworden. Aan de Meerseniers herinneren nog het stenen Sint-Nicolaasbeeld uit 1707, dat in het midden van het plein op een pomp staat, die op zijn beurt een oude waterput afdekt. Nog wat ouder, uit 1697, is het barokke Mariabeeld aan de gevel van nr.6 aan je linkerhand. Huidige bewoners Aan de linkerzijde huizen nu twee amateurtoneelgroepen: café-theater Het Peerd van Napoleon (nrs.3 en 4) met komisch repertoir en het Noordtheater (nr.6) dat een uitstekende naam heeft opgebouwd met een ruimer palet aan theaterstukken. Aan de overzijde zie je naast enkele palmen Hugo De Beul’s kunstencentrum Den Beulebak (nr.10), waar allerhande activiteiten plaatsvinden. De Aloude Hoofdrederijkerskamer De Violieren op nr.9 heeft een langer verleden. Rederijkers (van het Franse woord rhétoriqueurs) houden zich bezig met retorica, welsprekendheid. Ze maken gedichten in allerlei rijmschema’s, oefenen zich in voordragen, schrijven en spelen toneelstukken. Al rond het jaar 1400 komen ze bijeen als deel van het Sint-Lucasgilde, dat ook schilders en beeldhouwers groepeert. Kunstacademies bestaan nog niet, je wordt opgeleid door een ‘meester’ in het vak en fungeert een aantal jaren als diens helper, voordat je zelf een proefstuk moet afleveren ter beoordeling aan het gilde om als meester erkend te worden. Patroonheilige is de evangelist Lucas, die volgens de legende een portret van Maria zou hebben geschilderd. Terwijl schilders en beeldhouwers beroepsmatig aan de slag gaan, blijven de rederijkers amateurs. In het hertogdom Brabant meten zij hun kunne met rederijkerskamers uit andere steden in Landjuwelen, wedstrijden die diverse dagen duren en waarbij vooral zelf geschreven toneelstukken worden opgevoerd op platte wagens die als podium dienen, de wagenspelen. De winnaar mag het volgende landjuweel organiseren. De Violieren hebben dat in Antwerpen gedaan in 1496 en 1561. Dat laatste toernooi was vooral opgezet door hun factor – hoofdman – Willem van Haacht. Naast De Violieren kende Antwerpen nog rederijkerskamers De Olijftak en De Goudbloem. In 1661 komt er een fusie tussen De Violieren en De Olijftak en gaan ze verder onder de laatste naam. Maar godsdienststrijd en Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) hebben al de rederijkersgenootschappen een stevige knak gegeven en stilaan verdwijnen deze kamers. Maar in 1887 wekt Willem Schepman de aloude Violieren weer tot leven. Het blijft nu bij een beperkte lokale activiteit, vandaag huist hier een amateurgezelschap dat in het eigen zaaltje café- en straattheater brengt. Gebleven is de kenspreuk van De Violieren: ‘Uut jonsten versaemt’, wat zoveel betekent als ‘Voor genoegen samengekomen’. Het is nu in combinatie met het Sint-Lucassymbool (een stier) het logo van de Antwerpse academie voor Schone Kunsten. En voor wie denkt dat rederijkers enkel minderwaardig werk leverden: Joost van den Vondel was lid van de Brabantse rederijkerskamer Het Wit Lavendel. Koninklijke Poppenschouwburg Van Campen Tijd om ons nog even te richten op de kapel. Het altaar en ander meubilair zijn eruit verdwenen, maar op 13 juni 1936 heeft hier in de kelder een vertoning plaatsgevonden van het poppenspel van Van Campen. Vanaf 1949 is de kapel dan Poppenschouwburg van Campen geworden. Dat poppenspel is op 21 oktober 1935 opgericht door Jef Van Campen in zijn eigen woning aan de Antwerpse Stoofstraat. In tegenstelling tot andere poppentheaters richt Van Campen zich tot kinderen. Er wordt gespeeld met stangpoppen, die worden bewogen met één stang aan hun kop en een tweede aan een arm. Van Campen heeft er wel een mechanisme aan toegevoegd, waardoor hun poppen kunnen lopen. Maar het zijn dus geen marionetten, die met diverse touwtjes kunnen bewegen. Hoofdpersonen zijn drie Antwerpse figuren: schavies (schoorsteenveger) De Neus, De Schele en De Bult. Karel en Constant Van Campen zetten de traditie voort, waarbij Constant de auteur is van de diverse speelscenario’s. Na 50 jaar mag er ‘Koninklijke’ aan de naam worden toegevoegd, maar na bijna tachtig jaar is hier op 30 april 2016 het doek over Koninklijke Poppenschouwburg Van Campen gevallen. Poppen en dekors zijn verhuisd naar het Kruitmagazijn in Lillo, een oud vestingplaatsje stroomafwaarts aan de Schelde. Ga bij het verlaten van de Sint-Nicolaasplaats naar rechts. Je passeert nog een barokke kapelingang uit het eerste kwart van de 18de eeuw met op het fronton een vrouwenhoofd en op de zijkanten medaillons, die het Verraad van Judas en De Voetwassing voorstellen. Steek de Sint-Katelijnevest recht over zodat je in de Korte Nieuwstraat komt. Het mag hier dan Nieuwstraat heten, toch is dit een van de oudste straten van Antwerpen, al bekend sinds 1281 en toen in het Latijn aangeduid als Nova Platea, de Nieuwe Straat. Hij liep toen naar een kapel op deze plek, toegewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië. In de late middeleeuwen was zij een populaire heilige, aangeroepen voor bescherming tegen de gevreesde pest en voor een goede bevalling, praktische zaken waar alleman / -vrouw mee te maken kon krijgen. Tussen 1206 en 1216 wordt de stadsoppervlakte van Antwerpen vergroot en omgeven met een reeks watergrachten, de vesten: aarden wallen met gegraven grachten ervoor. Dit stuk gracht wordt dan genoemd naar de kapelheilige: Sint-Katelijnevest. Maar van die gracht vandaag geen spoor meer, die is in 1819 gedempt, nadat de aarden wal reeds rond 1320 afgegraven was. Maar dat water kruiste de Korte Nieuwstraat precies op de plek waar je vandaag een calvarieberg ziet, want die stond destijds op de brug over de vest. De Sint-Katelijnevest was toen een weg die langs de buitenkant van de gracht liep, waar dus nog geen huizen langs stonden. Jammer, maar een boottochtje zoals in Brugge zit er hier niet in.
naar etappe 1 2 3 4