  Het Stille Pand (2006-2026)
Roger Nupie ruth miller
RUTH MILLER - TRIOMFANTELIJK TRIEST Gedichten van de Zuid-Afrikaanse Ruth Miller (1919-1969) verschenen in talrijke tijdschriften en bloemlezingen in en buiten Zuid-Afrika, waar zij al snel werd beschouwd als een der meest vooraanstaande moderne dichters. Tijdens haar leven verschenen slechts twee dichtbundels: "Floating Island" (1965, bekroond met Ingrid Joker Prize) en "Selected Poems" (1968). Beide bundels werden samen met ongepubliceerde gedichten, twee radiospelen in versvorm, een kortverhaal en een essay, opgenomen in "Poems, Prose, Plays" (1990), samengesteld en ingeleid door haar literaire protegée Lionel Abrahams. Hierbij een selectie van de gedichten die Roger Nupie uit deze laatste publicatie vertaalde.
PENGUIN ON THE BEACH PINGUÏN OP HET STRAND Vreemdeling in zijn eigen element, Zeeslachtoffer, de gestrande mannequin Waggelt in zijn strak gesneden jaspanden. Olie Heeft een diepe commerciële vlek Over zijn donzige borst uitgesmeerd. Smerig, grijs, Belemmert zij de gladheid. Maar al te goed Moet hij zich het verleden herinneren, om zo behoedzaam Te zijn: Kijk hoe hij de golven instapt. Hij huivert Onder het schuim; glijdt, glibbert over het natte zand, Ontsnapt naar droogte, schaarste, in een witte waterval, Onwillekeurig verliest hij wat glans op de schouders. Handen duwen hem terug de zee in. Hij staat daar In gepijnigd en stil vermaan. Eens kende hij een zonovergoten, overslaande gladheid, Maar diep in het kleine, donkere heuveltje in zijn kop Bewaart hij het beeld: Olie op zee, Groene slierten, zwarte lasso's van slib die de branding Omhullen als een met vlekken uitgespreide sjaal. Nu huivert hij voor de zuivere, terugdeinzende golf, Keert zich om en sjokt terug over het gele zand, Onuitsprekelijk behoedzaam, triomfantelijk triest. Hij is immens wijs: hij vertrouwt niemand. Zijn zintuigen Zijn dichtgeslibd door ervaring. Hij eet Vis uit de handen van zijn Verlosser, en het smaakt zwart.
TRAPEZE TRAPEZE Wij tweeën vormen een menigte, Een wemeling van gezichten, Een rimpeling en een vloed Van stemmen. Geheimen zijn zacht, maar het gelach Klinkt helder door het circus. Het brood en de wijnen komen later: Nadat we vrede hebben gesloten Met de bonte kudde, rumoerige Toeschouwers van onszelf, die toekijken Hoe wij onze gevaarlijke sprongen maken Hoog boven het vangnet. Zal het net houden als we uitglijden? Maar uiteindelijk raken onze handen elkaar, Grijpen elkaar vast. Hoog boven ons, opgespannen In touwen, volgen de hete lichten In parabool de hellende Bleekheid van onze honderd gezichten. Ze bewegen. Ze houden hun adem in. Maar wij tweeën schitteren Op het kleine platform. Veilig, Hoog boven het gefluister Van onze dood.
ASPECTS OF LOVE ASPECTEN VAN LIEFDE I Groene dingen groeien op de verkeerde plaatsen. Ze ruiven in de klemtoon Op nullen in de som. Liefde is geen logicus, hoort het betoog Onbewogen aan, nooit om voordeel te halen Uit de Socratische methode, En laat groen uitschieten op uitheemse stenen. II Liefde? We zouden haar moeten smoren En de schoorsteen induwen - Zei hij, half gemeend. Nu weten we wat hij bedoelde Want wie op een koude nacht de liefde Aan zijn deur vindt, zal haar - als hij verstandig is - De schoorsteen induwen, de rook in, voordat Ze tegen hem jammert met zo'n verwoed verlangen Dat het in het stille huis het betekenisvolle, Extatische verlies binnenbrengt. III Op een hoge heuvel in de koude wind Op een dag zonder zon Bracht je mij een vogel die probeerde zijn momenten Als gier te herroepen. Hoewel ik bang was voelde ik Hoe zijn warmte mijn opgeschrikte hand ontspande.
THE STRANGER DE VREEMDELING Het licht speelt spelletjes met de zintuigen - Dichte donkere dingen - die de eerste les Niet kunnen afleren, de harde Werkelijkheid van het ongecorrigeerde zien. Op weg over Cavendish Road, in de late avond, zag ik Onder een lantaarnpaal, in de hoger gelegen hoek Zijn voeten geplant tegen de helling die omhoogliep - Blote benen wijd uiteen - een Japanse samoerai. In de schaduw van de lantaarn staart hij Naar onzichtbare, onoverwinnelijke legioenen, Hun tanden ontbloot, gebogen metaal flitsend, Wellust in hun ogen, zoutig, bloedend Klaar om te flitsen, te bewegen als een slang, toe te slaan - Om geschiedenis de stille straten van de buitenwijk Binnen te brengen, waar het gras groeit En de rode lelies uiteenspatten als bloed. Samoerai? Je zou wel gek zijn Om dat te denken. Kijk nog eens: het is slechts de oude Afrikaanse schoonmaker, in de late avond, ontspannen, Losjes, stil, onopvallend, de handen in rust. Voorbijgangers werpen hem een achteloze blik toe, Zijn hem evenmin erkentelijk als ze dat zouden zijn Voor de Samoerai in hun eigen bloed.
VOICEBOX STROTTENHOOFD Ik ken haar al sinds ik een kind was. Ik herinner me haar in de gloed van een ochtend Met haar eerstgeborene in het ongelooflijke bed, Waarvan de witte horizonvlakten zich vlak uitstrekten Voorbij de landtongen van de twee dikke kussens, Doorploegd met de groeven van dalen, benen en lendenen; Bijbelse geboorte van het donkere, vochtige haar, De gebarsten eierschaal van de schedel van de baby, steeds herhalend: “In, uit adem; behoedt me voor het kwaad, ik ben dun als een ei, heb Medelijden met mij, Heer.” Ik herinner me haar als onbeschrijfelijk, Ik die als tiener de nutteloze vader aangaapte Die er nu en dan rondhing, beschaamd als een oude stier. Zaligheden vulden elke scheur van de lucht, Wij dreven, zij en ik, op geopenbaarde betekenissen. Zelfs het zakje van de baby kon niets meer morsen. Verleden week stapte ze de ballingschap in. Ze is op weg naar een bepaald Siberië. Het vlies dat opzichtig de tere keel opsmukt Sterft of is dood - het onderscheid hoort de Tijd toe. Maandenlang heeft ze niet gesproken, tenzij fluisterend. Weldra zullen ze het speelgoedje wegnemen Het fragiele mechanische speelgoedje dat zegt - ik ben, Ik wil, ik moet, ik zal - het lied dat elke zanger Met zijn polsslag zingt. Beest bromt, hond blaft, kat miauwt. De dronkaard vloekt onverstaanbaar in het donker. Maar zij, die zo zacht is als melk, moet als een baby In de ziekenzaal liggen en haar adem inhouden Strijdend tegen het hardnekkige graniet van onze stemmen. Morgen bestellen we het spek, vergeet de eieren niet. We breken de schedel van het ei open boven de pan, We zien hoe de zuivere aardbol uit Gods hand groeit En prijzen hem om al zijn genade. Nu moeten we onze handen op haar keel zetten Die bonst als een schedel, om het gorgelend druipende Doven van een geribbelde kaars te horen. In de vleermuiszachte grot waren we bang En dwongen we het woord eruit - Verdomd! - de duisternis in. Nu zijn we bang in haat binnen te dringen. We blijven buiten bij de ingang en hebben het dwaze verlangen Om, voor de eerste keer, vuur te maken, Om, voor de eerste keer, Kom te roepen. Beest bromt, hond blaft, kat miauwt. Misschien zal ze leren knikken, haar hoofd te buigen, Op te gooien als een circuspaard; misschien zal ze geduld oefenen Om met een vochtige doek de angst van onze monden te vegen Vooraleer we haar kussen op haar brekende lippen.
VOICE.SILENCE.ECHO STEM.STILTE.ECHO De stem spreekt. De echo antwoordt met echo's. Maar Wat zegt de Stilte? Wat zingt de zanger Dat nauwkeuriger en zuiverder is Dan de stilte nadat de echo's zijn neergedaald? De stilte is even vastbesloten en voorbestemd Als het geluid. De echo is het onbekende, Want wie zou kunnen zeggen welke boog zal klinken en gorgelen, Welke hoek de fluisteringen van een sissende klank zal laten wegzinken, Welke rijzende arabesk zwerfstenen maakt Van ijzige sopraanversieringen, Kyrie en Credo. Wie zal bepalen wat de echo is? Is het een stem die als een draad aan een stem hangt Zwiepend, zwaaiend, een spin; of een schaduw Neergeworpen door een zuil, de duisternis op de pracht, Of iets dat als een hart klopt in het bos? In gefladder en beweging, zijn onontkoombare drang. Ik ben het instrument, Ik ben de klankkleur, de rilling. Ik antwoord als ik antwoord En al zoekend ontdek ik. Ik ben de ruimte, de pauze waarin De opgeschrikte stofdeeltjes trillen, De verstilde vleugel van de mot, waarvan Het gaas zweeft in de witte stilte. Ik ben het kind dat geboren is Uit een sterke vader, een bleke moeder. Mijn stem, trots of treurig, Hebben zij geschapen. En gesmoord. Stemmen kondigen hun komst Aan en aan, hun afspraken Hun sluwe bevestigingen en ontkenningen. In contrapunt opgesteld ontmoeten ze elkaar Op de stijgende trap. Ze vertellen wat kan verteld worden en zinspelen op de rest, Zetten de aarzelende vlam in het licht, dampen op in het gewelf Van de geest, in de crypte van het hart, in de botten Van de zuilen en pilaren en beuken. Maar Als de echo wegsterft, dan de Stilte. In stilte wordt het gebed eindelijk uitgesproken. Of het gehoord wordt of niet is een zaak Van voortekens en symbolen, want het zal bewijzen Of God al dan niet luisterde. Luisterde Hij? Hoor je niet de echo Van Zijn onmetelijk antwoord, dat Nee echoot. Maar Als God hier is en God liefde is (Wiens Nee wij verkiezen voor Ja te nemen) Van wiens Stem is die van God de echo dan In de Stiltes van welke afgrond?
Omslagfoto Poems, Prose, Plays